Basles

Een pedal: een en dezelfde noot, meestal door de bas gespeeld, die moet worden aangehouden, en die onder een aantal opeenvolgende akkoorden past.

Piano: zachtjes

Een positie: de plek op de hals van je bas waar je je hand houdt. Als je je hand dáár houdt waar zich de laagste noten bevinden, speel je in de 1e postie. Als je je hand een halve toonsafstand verschuift, speel je in de 2e positie enz.

De progressie: het akkoordenschema.

Het realbook: een boek vol met standards en evergreens.

Een rhythm schema: een schema dat vaak door jazz muzikanten wordt gespeeld en dat gebaseerd is op het schema van ‘I got rhythm’.

De riff: een repeterend motiefje voor de blazers.

Ritenuto: vertragen, meestal aan het eind van een nummer

Rock-jazz: de oude naam voor fusion (zie boven). Denk aan Return to forever, Herbie Hancock en Weather Report.

Scatten: improviseren met de stem, waarbij geen woorden worden gebruikt maar klanken.

Een standard: een nummer dat jazz musici graag spelen. De meeste standards waren oorspronkelijk liedjes uit musicals, een flink aantal is geschreven door jazz musici.

Transponeren: in een andere toonladder zetten.

Tri toon substitutie: het dominante akkoord (het akkoord dat gebouwd wordt op de vijfde trap van een toonladder) wordt vervangen door een septiem akkoord een verminderde kwint lager.

Een turnaround: een heel klein akkoorden schemaatje (meestal 2 maten) dat een aantal malen herhaald wordt, vaak aan het eind van een nummer.

Up tempo: snel

Een vamp: een klein deel (vaak maar een paar maten) van het nummer dat je speelt en dat je telkens blijft herhalen tot iemand een teken geeft (on cue) dat je verder kunt gaan.

Verdubbelen: zie double-time

Een verse: een intro van een nummer dat meestal rubato (zonder ritme) gespeeld wordt.

Vier om vier: een improvistatie wisseling die vier maten per solist duurt, vrijwel altijd in afwisseling met de drummer.

Een voicing: de manier waarop een pianist of gitarist de noten van een akkoord stapelt.

Ik heb vast een aantal termen over het hoofd gezien. Deze les zal nog wel heel wat worden aangevuld. Misschien weet jij een term die ik vergeten ben. Dat hoor ik dan graag!

Jazztermen
In deze les geef ik de betekenis van een aantal termen die veel gebruikt worden door jazz muzikanten.

Een AABA schema. Het meest gebruikte akkoorden schema in de jazz. Meestal bestaat het uit vier keer acht maten, waarbij de A-tjes steeds (ongeveer) dezelfde akkoorden hebben. Het B gedeelte, dat dus afwijkende akkoorden heeft, wordt ook wel de bridge genoemd.

Een ballad is een langzaam nummer.

Bebop: een jazzstijl die gecreëerd is door Charly Parker en Dizzy Gillespy. Er werd voor het eerst 'bovenin' het akkoord gesoleerd en de 2-5-1 werd veel frequenter toegepast dan voorheen. De akkoorden dichtheid nam trouwens ook flink toe.

Changes: de akkoorden van het schema.

Het coda: een aantal extra maten (meestal) aan het eind van een nummer. Soms komen deze extra maten vaker voor in een nummer, bijvoorbeeld telkens wanneer het thema wordt gespeeld.

Dixeyland: een simpele oervorm van de jazz. Denk aan vrolijke, wandelende orkesten met hoedjes van stro in de braderie van het plaatselijke winkelcentrum. Heel populair bij VVD feestjes.

Cool jazz: een stijl die begin zestiger jaren door Miles Davis en Bill Evans werd gecreëerd. Een bijzonder sfeervolle, rustige benadering qua tempo en virtuositeit. Kind of blue, de meest populaire jazzplaat ooit, is de lp waartop deze benadering is vastgelegd.

Crescendo: harder gaan spelen.

Dal segno: het muziekstuk herhalen vanaf het segno teken. Dal segno al fine: herhalen vanaf het segno-teken en doorspelen tot fine.

Diminuendo: zachter gaan spelen.

Het dominant septiem akkoord: het akkoord dat op de vijfde trap van een majeur toonladder wordt gebouwd. In de jazz wordt het voortdurend gebruikt om te moduleren, meestal bij een 2-5-1 progressie, wat trouwens vaak erg goed klinkt. Dit is het meest populaire akkoord van de jazz. Alle jazzblues bijvoorbeeld bestaan vrijwel uitsluitend uit septiem akkoorden.

Double time: het verdubbelen van het tempo. Een 4/4 wordt op die manier een 8/8.

De duimposties: alles boven het octaaf G op de G snaar op de contrabas. Je gebruikt je duim om de snaren (alvast een stuk) naar beneden te drukken.

Een chorus: het akkoordenschema waarover geïmproviseerd wordt.

Dubbel tempo: wat één maat was, wordt nu twee maten. De maten komen dus twee maal zo snel voorbij, maar de akkoorden meestal niet. Als je schema begon met éen maat A min 7, begin je nu met twee maten A min 7

Forte: hard (fortissimo: nog harder).

Free jazz: jazz zonder afspraken vooraf. Er is een tijd geweest waarin bijzonder beperkte muzikanten hun kans schoon zagen om het podium te bestijgen onder het mom van free jazz (ik doel nu niet op mensen als Ornette Coleman natuurlijk). Dat lukt deze figuren nauwelijks meer: de huidige free jazz heeft een hoog niveau en de meeste organisatoren van jazz concerten hebben tegenwoordig ook meer verstand van zaken.

From the top: je speelt (verder) vanaf het begin van je partij.

Fusion: een kruising van verschillende stijlen met de jazz, bijvoorbeeld funk en rock.

Een groove: een lekker ritme (spreek uit: groev). Grooven: een lekker ritme spelen.

Een lick: een kort melodietje. Een baslick: een melodie die je als bassist speelt en (vaak) herhaalt.

Moduleren: van een toonladder soepeltjes in een andere toonladder overgaan. In de meeste jazz gebeurt dat middels een 2-5-1 (zie les 60), maar niet altijd.

Lopende bas: een stijl waarbij de bassist elke tel van de maat benut om een harmonisch fundament te leggen in de jazz. Per tel speelt de bassist over het algemeen één noot.

Medium: tussen langzaam en snel spelen in.

Een muziekstandaard: zo'n gek ding waarop je geacht wordt je partij te plaatsen, maar dat bij het uitklappen over een eigen wil blijkt de beschikken door elke medewerking te weigeren.


Binnengekomen zonder navigatie? Klik hier